Leerdoelen

Hoofdstuk 1



Module 1

1- Je kunt uitleggen dat door globalisering de onderlinge afhankelijkheid tussen landen toeneemt

Omdat de landen meer met elkaar gaan handelen hangen de landen van elkaars economie af, als bijvoorbeeld Nederland kool uit Spanje moet halen om ovens te verwarmen en spanje opeens geen kolen meer kan leveren is Nederland de klos.

2- Je kunt uitleggen wat tijd-ruimtecompressie is en welke rol dit principe speelt in de globalisering

Tijd-ruimtecompressie betekent dat de relatieve afstand tussen landen kleiner wordt terwijl de absolute afstand gelijk blijft, dit komt door ontwikkelingen in ICT, transporttechnologie maar ook door vrijhandel. Hierdoor is het makkelijker om te handelen met een land wat ver weg ligt.

3- Je kunt de drie onderdelen van het centrum - periferiemodel (wereldsysteem) noemen

centrumlanden: landen die het rijkst en best opgeleid zijn, zijn in de triade ook het centrum van de handel.
semi-periferie landen: Landen die onderweg zijn om een centrumland te worden.
periferie landen: Dit zijn de landen die onderaan in de triade staan en meestal de laagste lonen hebben.

4- Je kunt uitleggen hoe de huidige verhoudingen tussen centrum en periferie tot stand zijn gekomen in de periode van het kolonialisme

1500-1800 toen begonnen de westerse landen ontdekkingsrijzen te beginnen en stichten toen ook kolonies in verre landen om daar een handelspost te beginnen zodat ze grondstoffen en specerijen uit die landen konden halen.
1800-1950 dit was de tijd van het exploitatiekolonialisme, dit betekent dat de kolonies oneerlijk 'ruilden' met het moederland.

5- Je kunt verklaren waarom er - ondanks een periode van dekolonisatie - nog vaak sprake is van neokolonialisme

Omdat de kolonien meestal periferiële landen waren waren ze dus best afhankelijk van de economie van het moederland. En als die kolonien dan onafhankelijk worden merken ze wel dat ze toch nog afhankelijk zijn aan het moederland, dit heet neokolonialisme.


Module 2

1- Je kunt uitleggen wat een multinational (MNO) is en je kunt een aantal voorbeelden van MNO’s noemen

Een multinational is een bedrijf met vestigingen in meer dan 2 landen, een voorbeeld is coca cola

2- Je kunt beredeneren waarom MNO’s (onderdelen van) hun bedrijf over de hele wereld verspreid hebben

Ze zetten hun industie in de lagelonenlanden en door te verspreiden heb je ook meer klanten.

3- Je kunt verklaren waarom door de opkomst de BRICS-landen de macht van de triade aan het verminderen is

Omdat het geen triade meer is want er komen meer centrumlanden waardoor er dus meer dan 3 grote handelspunten ontstaan.

4- Je kunt uitleggen waarom opkomende economieën als nieuwe afzetmarkten zeer interessant zijn voor MNO's

Ze willen graag in de groeimarkt zitten zodat ze winst kunnen maken.

5- Je kunt uitleggen waarom multinationals aan uitschuiving doen

Omdat ze zo de meeste winst kunnen maken, uitschuiving is eigenlijk het verplaatsen van je fabrieken naar lagelonenlanden omdat de lonen daar laag zijn.

6- Je kunt verklaren dat protectiemaatregelen een barrière zijn voor vrijhandel

Omdat door dingen zoals importheffingen het moeilijker is om veel producten te importeren. Daarom is het een barrière

7- Je kunt uitleggen hoe de drie vormen van protectionisme werken

1) importheffingen: De belastingen op het importeren van bepaalde producten, hierdoor is het moeilijker om te importeren uit verre landen.
2) exportsubsidies: Dit lijkt op de importheffingen maar dan is het eigenlijk andersom, dus er is belasting op het exporteren van bepaalde producten gezet.
3) WTO: De WTO of World Trade Organization maakt afspraken over vrijhandel.

8- Je kunt uitleggen waarom het economisch zwaartepunt de afgelopen 30 jaar richting het oosten is verplaatst

Als gevolg op vrijhandel doen meer landen mee aan de wereldhandel en beginnen landen zoals Japan en China een heel groot deel uit te maken in de wereldhandel. Dit wordt ook wel de global shift genoemd.

9- Je kent de drie sectoren van de beroepsbevolking van een land

De drie sectoren zijn: de primaire sector, de secundaire sector en de diensten sector

10- Je kunt uitleggen wat de internationale arbeidsverdeling is

Centrumlanden: Hier werken de meeste mensen in de dienstsector.
Semi-periferie: Hier werken de meeste mensen in de industrie.
Periferie: Hier werken de meeste mensen in de landbouw.


Module 3

1- Je kunt uitleggen hoe de bevolkingsgroei in een land samengesteld is uit de natuurlijke en sociale bevolkingsgroei

De sociale bevolkingsgroei is samengesteld uit mensen die in dat land geboren zijn en uit emigranten, de natuurlijke bevolkingsgroei is het verschil tussen het geboortecijfer en het sterftecijfer.

2- Je kunt verklaren in welke twee gevallen er sprake is van demografische druk

Als de groene of grijze druk hoog is.

3- Je kunt verklaren hoe urbanisatiegraad en –tempo over het algemeen een verband vertonen met de ontwikkeling van een land

Omdat als er meer mensen in de stad wonen betekent dat dat de economie van een land ook goed moet zijn. Want als de economie niet goed zou zijn zouden er bijvoorbeeld niet genoeg banen zijn voor de mensen.

4- Je kunt aan de hand van een bevolkingspiramide uitspraken doen over de leeftijdsopbouw van een land

Je kan bij een bevolkingspiramide zien hoeveel mannen en vrouwen er per leeftijd wonen waardoor je goed kan zien hoe het economisch met het land gaat.

5- Je kunt een onderscheid maken tussen de vier meest voorkomende vormen van bevolkingspiramiden

1: de ingedeukte piramidevorm Dit geeft een onontwikkeld gebied aan waar de groene druk hoog is.
2: de piramidevorm Dit geeft een jong sterk groeiend land aan waar het sterftecijfer afneemt.
3: de granaatvorm Bij de granaatvorm neemt de bevolkingsgroei niet toe omdat het geboortecijfer afneemt.
4: de ui (of urn) Dit geeft een regio aan waar er een sterfteoverschot is, hier is de grijze druk hoog.

6- Je kunt verklaren hoe en wanneer – met behulp van geboorte- en sterftecijfers –landen een demografische transitie doormaken

Als zowel het geboorte als het sterftecijfer afnemen, komt dat land in een demografische transitie.

7- Je kunt de positie van een land in het wereldsysteem koppelen aan de fase in het demografisch transitiemodel van dat land

1e fase: In de eerste fase leven de meeste mensen nog op het platteland en zijn de geboortecijfers dus hoog. Ook zijn de sterftecijfers hoog.
2e fase: In de tweede fase begint dat land de industrialiseren, dit betekent dat het sterftecijfer afneemt waardoor de totale bevolking toeneemt.
3e fase: In de derde fase daalt het geboorte en sterftecijfer en de snelheid van de bevolkingsgroei neemt ook af.
4e fase: In de vierde fase liggen zowel het sterfte als geboortecijfer heel laag, hierdoor neemt het aantal jonge mensen af en het aantal oude mensen toe.